“Hoe gaat het?” “Ja, druk”, zei ik. Het floepte eruit voordat ik het doorhad. Gelukkig had ik de tegenwoordigheid van geest om het mezelf te horen zeggen, en direct vroeg ik me af: waarom zei ik dit eigenlijk? Was ik echt druk? Of zei ik het omdat het erbij hoort, omdat “goed” te makkelijk klinkt en “druk” suggereert dat je ertoe doet?

Druk zijn als statussymbool. Want wie druk is, is belangrijk. Wie druk is, heeft geen tijd voor onzin. Wie druk is, hoeft zich niet te verantwoorden.

“Sorry, geen tijd. Ben druk.”

Maar ben ik wel druk? Wat ís druk zijn überhaupt? Mijn agenda zit behoorlijk vol, dat klopt. Ik sta één dag per week voor groep 3, ik geef trainingen, ik schrijf, ik onderneem. Toch ervaar ik weinig werkdruk. Dat klinkt tegenstrijdig, maar ik bedoel: de drukte is er, niet de stress.

Oké, eerlijk is eerlijk, ook ik heb soms stress. Maar druk zijn is voor mij meer een gegeven dan een probleem. Meer een soort ritme dan een last. Ik zou ook helemaal niet weten wat ik aan zou moeten met lege dagen. Krijg het bij de gedachte al benauwd.

Maar goed, misschien is dat ook het probleem.

Tijd is de meest waardevolle valuta die je hebt. Kostbaarder dan geld, want geld kun je terugverdienen. Tijd niet. Waar je je aandacht aan besteedt, is de meest wezenlijke keuze die je in je leven maakt.

En toch, wanneer we willen bijleren, ons willen ontwikkelen, iets willen veranderen, is het eerste wat we zeggen: daar heb ik geen tijd voor. We zijn te druk. “Ik wil best mee in die innovatie, maar dan moet je me wel faciliteren.” In gewone mensentaal: geef me tijd.

Is het echt zo simpel als meer uren ertegenaan gooien?

Ik denk het niet. Sterker nog: “Ik heb geen tijd” betekent zelden dat je geen tijd hebt. Het betekent meestal: ik maak er geen prioriteit van. En dat mag. Maar zeg het dan ook zo. “Daar maak ik geen prioriteit van” is eerlijker dan “daar heb ik geen tijd voor.” Het eerste is een keuze, het tweede een excuus.

Dat is ook meteen het probleem met hoe we over tijd praten. We hebben het altijd over kwantiteit. Hoeveel uren heb ik? Hoeveel uren heb ik nodig? Hoeveel uren kom ik tekort? Alsof tijd een emmer is die je vult tot hij overloopt. Maar de vraag zou net zo goed over kwaliteit kunnen gaan. Wat doe ik met de uren die ik heb? Welke uren zijn verspild aan dingen die er niet toe doen? Hoeveel vergaderingen heb ik bijgewoond waar ik net zo goed had kunnen ontbreken?

Je kunt tijd ook anders benaderen. Een begroting maken op je uren, net zoals je dat op geld doet: wat moet echt, wat kan weg? Slimmer organiseren, zodat je niet alles zelf hoeft te doen. Technologie inzetten waar het kan. Delegeren. En vooral: kiezen. Elke ‘nee’ is ook een ‘ja’ op iets anders.

Maar de belangrijkste verschuiving zit niet in wat je doet. Die zit in hoe je het ervaart. Tijd kun je niet vermeerderen. Maar je kunt wel veranderen hoe je ernaar kijkt. Niet alles is urgent, ook al voelt het zo. Niet alles is belangrijk, ook al lijkt het zo. De vraag is niet “heb ik genoeg tijd?” De vraag is “waar besteed ik mijn tijd aan?”

Volgende keer dat iemand vraagt hoe het gaat, wil ik iets anders zeggen dan “druk.” Niet omdat ik minder te doen heb. Maar omdat dat woord me in een frame duwt dat niet klopt.

Ik ben niet druk. Ik heb gewoon veel dat ik wil doen. En dat is iets wezenlijk anders.

Barend Last (1986) begon als leerkracht in het basisonderwijs, waar zijn passie voor onderwijsinnovatie ontstond. Hij interesseerde zich vooral voor de vraag: ‘Waarom doen we eigenlijk wat we doen?’ en stroomde daarom door naar de wetenschappelijke wereld. Hij werkte onder meer als docent, manager en onderwijsspecialist in verschillende lagen van het onderwijs. Inmiddels is hij vooral actief als schrijver, spreker en onderwijsmaker, en staat hij weer een dag per week als leraar voor de klas in het basisonderwijs.